Omgevingswijzer

  1. Energie en materialen

    Voor een duurzaam en minder afhankelijk energiesysteem is een sluitend systeem van energieproductie en energievraag nodig. De Trias Energetica geeft aan hoe we onze energievraag en ons energieaanbod hierop kunnen aanpassen. Ten eerste dienen we daarom:

    1. Onze energievraag te beperken
    2. Zoveel mogelijk duurzaam opgewekte energie te gebruiken en
    3. Fossiele energiebronnen zo efficiënt mogelijk te benutten.

    Daarnaast kan er synergie worden behaald door het uitwisselen van energie en CO2 tussen verschillende ontwikkelingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het hergebruik van restwarmte. Tot slot is het belangrijk dat bij het ontwerp en de productie van materialen de afwenteling door slechte arbeidsomstandigheden en milieuschade wordt voorkomen en wordt gestreefd naar kringlopen van hergebruik. Dat geldt ook in de bouwfasen van projecten door inzet van energiearm en uitstootloos materieel.

    1. Vermindering energievraag

      • Trias Energetica, stap 1: De grootte van de energievraag voor aanleg, gebruik en sloop wordt beperkt. Denk hierbij ook aan grondstof- en materiaalgebruik (DuboCalc, 2012), het gebruik van passieve energie en het gebruik van buisleidingen.

    2. Gebruik duurzame energie

      • Trias Energetica, stap 2: Er wordt gebruik gemaakt van duurzaam opgewekte energie, rekening houdend met de draagkracht van het natuurlijk systeem.

    3. Gebruik fossiele brandstoffen

      • Trias Energetica, stap 3: Bij het toepassen van fossiele energiebronnen worden deze zo efficiënt mogelijk gebruikt.

    4. Uitwisseling van energie

      • Mogelijkheden voor uitwisseling van energie en CO2 tussen functies tijdens de aanleg, gebruik en sloop worden optimaal benut, waardoor energieoverschotten kunnen worden gebruikt buiten de grenzen van het project (CO2-ladder, 2012). Een flexibel en robuust energienetwerk draagt bij aan de mogelijkheden tot uitwisselen.

    5. Materiaalgebruik

      • Materialen waarvan ernstige negatieve gevolgen bekend zijn bij winning productie en/of hergebruik worden zoveel mogelijk gemeden. Denk hier bijvoorbeeld aan uitputting, arbeidsomstandigheden, sociale omstandigheden en bodemvervuiling.

    6. Circulaire Economie

      • Er wordt bijgedragen aan het hergebruiken van producten en materialen door het sluiten van kringlopen. Denk hierbij onder andere aan grondverzet, kloppende grondbalans, hoogwaardig hergebruik van bermmaaisel, modulair ontwerpen, biologische kringloop en ecodesign.

        Zie ook het Kader LCC voor RWS en Programma VANG.

         

  2. Water

    Om een duurzame en veilige leefomgeving te creëren in Nederland, hebben we een duurzame en klimaatbestendige bescherming nodig tegen onder andere zeewater, rivierwater, grondwater en regenwater. Hierdoor kunnen we de waterveiligheid waarborgen van overstroombare gebieden. Om wateroverlast te voorkomen dient het water zo lang mogelijk vastgehouden te worden. Om een tekort aan zoetwater zoveel mogelijk tegen te gaan, zijn verdringingsreeksen opgesteld die duidelijkheid geven over de waterverdeling in tijden van schaarste. De verandering van het klimaat zal zorgen voor meer extremen in neerslag en droogte wat zijn effecten zal hebben op waterveiligheid, overlast en zoetwaterverdeling. Meer info: Klimaateffectatlas

    1. Waterveiligheid

      • Het risico op overstromingen, o.a. als gevolg van klimaatveranderingen, wordt verkleind. Verbetering van de waterveiligheid wordt gerealiseerd door middel van de lagenbenadering:

        1. Kans op overstroming beperken, 2. Gevolgen beperken en 3. Herstel bevorderen.

        Meer info: Helpdesk Water of Klimaateffectatlas

    2. Wateroverlast

      • Wateroverlast (o.a. als gevolg van klimaatveranderingen) wordt beperkt door

        1. Water vasthouden, 2. Water bergen en 3. Water afvoeren

        Meer info: Helpdesk Water of Klimaateffectatlas

    3. Waterkwaliteit

      • De waterkwaliteit wordt verbeterd. Denk hierbij aan: 1. Schoon water schoon houden, 2. Scheiden van vuil en schoon water, 3. Schoonmaken wat verontreinigd is en 4. Natuurlijke inrichting (bijvoorbeeld rietkragen) Meer info: Helpdesk Water

    4. Watertekort

      • Een toekomstig zoetwatertekort wordt tegengegaan. Denk hierbij aan het bijdragen aan het realiseren van een regionale zelfvoorzienendheid en optimalisatie van de waterverdeling volgens de verdringingsreeks (zo veel mogelijk sparen/niet gebruiken, besparen en hergebruiken van zoetwater). Bijvoorbeeld door het afkoppelen en opvangen van regenwater of door rekening te houden met water in de gebiedsinrichting (zo min mogelijk verstenen van tuinen).

        Meer info: Helpdesk Water

    5. Klimaatbestendigheid

      • De klimaatbestendigheid van het watersysteem in zijn omgeving wordt op ruimtelijke wijze vergroot door aanpassing aan (adaptatie) en/of verzachting van (mitigatie) eventuele negatieve gevolgen van klimaatverandering.

  3. Bodem en Ondergrond

    De bodem faciliteert onze activiteiten, maar is kwetsbaar en negatieve ontwikkelingen zijn moeilijk te keren. Duurzaam omgaan met de bodem is daarom van essentieel belang. De bodem(balans), het grondwater en het bodemleven zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en moeten altijd in de context van het gebied en landschap worden benaderd. Bodem en grondwater vormen één systeem en is een cruciaal onderdeel van het bodembeheer. Meer info: Bodem+, Bodemambities en Bodemhelpdesk

    1. Geotechniek

      • De bodem is geschikt voor de beoogde functie. Denk hierbij aan de draagkracht van de bodem en de gevolgen van de ingrepen/het bouwen op het bodem- en grondwatersysteem.

    2. Bodemdiversiteit

      • De diversiteit aan bodemtypes wordt in stand gehouden en zeldzame bodemtypes worden behouden. Denk hierbij aan veengebieden die nat moeten blijven om deze in stand te houden.

    3. Bodemkwaliteit

      • Er wordt rekening gehouden met de kwaliteit van de bodem- en watersystemen. Denk hierbij aan het verwijderen van vervuiling wanneer de beoogde functie dit vereist of wanneer dit valt mee te koppelen met de noodzakelijke werkzaamheden (denk b.v. aan grondverzet). Meer info: Besluit Bodemkwaliteit en Rijksoverheid, aanpak bodemverontreiniging

    4. Ondergrondse infrastructuur

      • In het gebied zijn ondergrondse infrastructuur (kabels, leidingen, etc) en/of objecten (bijvoorbeeld niet gesprongen explosieven WO II ) aanwezig die aangepast of verwijderd dienen te worden. Denk hierbij ook aan warmte-koude opslag.

        Meer info: Bodemconvenant

    5. Archeologische en aardkundige waarden

      • De in de bodem aanwezige archeologische waardevolle objecten, structuren en patronen worden in situ bewaard en zo nodig beschermd. Ten aanzien van bodemtypen worden bestaande bodemdiversiteit en geomorfologische structuren gerespecteerd. Denk hierbij aan het behoud van objecten (zoals munten) door de eigenschappen van de bodem (zoals pH waarde) te handhaven.

        Meer info: Rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    6. Bodemdaling

      • Bodemdaling (bijvoorbeeld door grondwaterstandverlaging als gevolg van de klimaatverandering) wordt maximaal beperkt lettend op de beoogde functie (zoals bijvoorbeeld de waterveiligheid en behoud van bouwwerken).

        NB: Bodembiodiversiteit wordt bij het thema ‘Ecologie en Biodiversiteit’ ondergebracht en heeft sterke relatie met (grond)water.

  4. Ecologie en biodiversiteit

    Een sterk en flexibel ecosysteem is een belangrijk onderdeel van een bestendige en duurzame leefomgeving. Het is daarom van groot belang om flora en fauna optimaal de mogelijkheid te bieden zich te kunnen ontwikkelen. Samenhang in de leefruimte van planten en dieren is hiervoor een belangrijke voorwaarde. Ook kan het verbinden van zowel blauwe als groene ecologische structuren helpen in het stimuleren van de volledige voedselketen. Door afwisseling in het landschap te creëren, kan ook de diversiteit in bloemen- en diersoorten groeien, wat tot een stabieler ecosysteem leidt. Het is van belang dat de uitvoering binnen een project ten aanzien van ecologie en biodiversiteit aansluit bij de beleidsmatige wenselijkheid. Meer info: Rapport ‘Evaluating the value of infrastructure for nature policy requirements’ - Deltares en Vogel- en Habitatrichtlijn

    1. Habitatkwaliteit

      • De biodiversiteit (diversiteit van flora en fauna) wordt vergroot door een heterogene opbouw van het landschap en bodembiodiversiteit. Denk hierbij aan de variatie in het landschap en de samenstelling daarvan.

    2. Ecologische connectiviteit

      • De samenhang in de leefruimtes, broedplaatsen en beschermde gebieden van planten en dieren wordt versterkt en de versnippering van het landschap wordt tegengegaan. Denk hierbij aan het behoud van het Nationaal Natuur Netwerk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur).

         

        Groene ecologische structuren (land) worden versterkt voor flora en fauna om de volledige voedselketen te blijven faciliteren (van plankton tot aaseters).

      • Blauwe ecologische structuren (water) worden versterkt voor flora en fauna om de volledige voedselketen te blijven faciliteren. Denk hierbij aan vistrappen.

  5. Ruimtegebruik (wat en waar)

    Omdat ruimte schaars is in Nederland, is het belangrijk dat we beschikbare ruimte zo efficiënt en multifunctioneel mogelijk inrichten. Uitbreiding van bebouwd gebied dient dan ook enkel te worden toegelaten als dat nodig is. Deze duurzame en strategische ontwikkeling van beschikbare ruimte is nodig om leefbare gebieden te ontwikkelen die antwoord geven op huidige en toekomstige gebruikswensen. Bijkomende voordelen hiervan zijn dat dit ook de vraag naar mobiliteit en energiegebruik verkleint en mogelijkheden biedt voor vergroting van de ruimtelijke en ecologische kwaliteiten. De ladder voor Duurzame Verstedelijking (afkomstig uit de SVIR, 2011) biedt een methode dit in drie stappen te onderzoeken. Meer info: Ladder Duurzame Verstedelijking

    1. Aansluiting ontwikkelingsvraag

      • Het project sluit zoveel mogelijk aan bij de regionale vraag, rekening houdend met omgevingsinitiatieven en bouwontwikkelingen. Denk hierbij aan de ontwikkeling van bedrijventerreinen en de vraag en het aanbod in de regio.

    2. Gebruik bestaand gebied

      • De huidige gebruikswaarde van het gebied moet blijven bestaan en waar mogelijk wordt de gebruikswaarde versterkt. Denk hierbij aan de herontwikkeling van een oud havengebied of bedrijventerrein.

    3. Uitbreiding

      • Bij uitbreiding buiten bestaand stedelijk gebied, wordt er slim en zorgvuldig gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte en aansluitingen. Denk hierbij onder andere aan het zorgvuldig inpassen en vormgeven met oog voor de omgeving.

    4. Meervoudig ruimtegebruik

      • Mogelijkheden om bestaande of geplande ruimte meervoudig te gebruiken worden optimaal benut. Denk hierbij aan duurzame energiewinning met zonnevelden, biomassa, etc.

    5. Klimaatbestendigheid (hitte)

      • De klimaatbestendigheid van het gebied wordt verbeterd door aanpassing aan (adaptatie) eventuele negatieve gevolgen van hittestress als gevolg van klimaatverandering. Te denken valt aan toevoegen van groen, groene daken, groenstructuren rondom steden, voorkomen van grote verharde oppervlakten. NB: Klimaatbestendigheid is eveneens geborgd in de thema’s ‘Water’ en ‘Bodem en ondergrond’.

  6. Ruimtelijke kwaliteit (hoe)

    Ruimtelijke kwaliteit is het vinden van een goede balans tussen gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Integraal ontwerp, waarbij bestaande en geplande functies in samenhang zijn met elkaar, maakt het mogelijk deze balans te vinden en versterken.

    Gebruikswaarde gaat ondermeer over de connectiviteit van gebieden, economische kansen en sociale veiligheid. Belevingswaarde uit zich bijvoorbeeld in de herkenbaarheid van het landschap en de vormgevingskwaliteit van objecten. Toekomstwaarde heeft te maken met het bieden van flexibiliteit om in de toekomst aan te kunnen blijven sluiten op veranderde eisen.

    1. Belevingswaarde

      • De belevingswaarde van het gebied, of de mate waarin gebruikers het gebied als positief ervaren, wordt versterkt. Denk hierbij aan bouwkundige elementen met cultuurhistorische waarde, sfeer, aanwezige landschapsstructuren, natuur en ruimtelijke samenhang, identiteit, zicht en overzicht.

    2. Gebruikswaarde

      • De gebruikswaarde van het gebied wordt versterkt. Denk hierbij aan vergroting van de kwaliteit van functies en de variatie in grootte en type functies.

    3. Toekomstwaarde

      • De toekomstwaarde van het gebied wordt vergroot. Denk hierbij aan flexibiliteit in het plan, een strategische aansluiting op zijn omgeving en anticipatie op toekomstige veranderingen/ontwikkelingen.

    4. Integraal ontwerp

      • Bestaande en geplande functies en omringende openbare ruimte zijn in samenhang met elkaar en versterken elkaar door een ruimtelijk integraal ontwerp. Meer info: Rijkswaterstaat, Kader Ruimtelijke Kwaliteit en Vormgeving

         

    5. Cultuurhistorische waarde

  7. Welzijn en gezondheid

    Door ruimte zo in te richten dat een positieve bijdrage geleverd kan worden aan het welzijn en de gezondheid van bewoners, gebruikers en bezoekers, ontwikkelen we een duurzame en veilige leefomgeving. Dit valt onder te verdelen in gezondheidsbescherming (o.a. lucht, geluid en licht), bevorderen en uitnodigen tot een gezonde levensstijl en het voorkomen van chronische ziekten (bijvoorbeeld obesitas of depressie). Ook is het belangrijk onze veiligheid, zowel fysiek als sociaal, te waarborgen. Tijdens bouwfasen is een duurzame bouwlogistiek essentieel (aanvoerroutes buiten woonwijken, inzet van buisleidingen, energiearm materieel). Meer info: Atlas Leefomgeving

    1. Gezondheidsbescherming

      • De te realiseren functies hebben een positief effect op bijvoorbeeld luchtkwaliteit, geluid en bieden daarmee bescherming voor de fysieke gezondheid gedurende zowel aanleg als gebruik.

    2. Veiligheid

      • De veiligheid van het gebied wordt verbeterd. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan externe-, sociale- of verkeersveiligheid.

    3. Fysieke gezondheid

      • De leefomgeving nodigt uit tot fysieke beweging door bijvoorbeeld aflegbare afstanden tussen bestemmingen voor langzaam verkeer, een begrijpelijk en compleet voetgangers- en fietsersnetwerk en aanwezigheid van groene openbare ruimtes en herkenbare objecten voor oriëntatie.

    4. Mentale gezondheid

      • Er is een leefomgeving die bevorderlijk is voor het mentaal welzijn, bijvoorbeeld door een natuurlijke omgeving met toegankelijk groen en water, aantrekkelijke plekken voor sociale interactie en veilige kruispunten.

    5. Hinder

      • Hinder door externe invloeden wordt voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan trillingshinder, uitstoot van schadelijke stoffen (bijvoorbeeld door meer inzet van buisleidingen), lichtvervuiling of zichthinder, ook tijdens de bouw.

  8. Sociale relevantie

    Voor een duurzame ontwikkeling van ruimte, is het belangrijk dat de ontwikkeling een positief effect heeft op het sociaal welzijn van gebruikers en omwonenden. Hierbij dienen oplossingen te worden geboden voor zowel bestaande als toekomstige gebruikers, door rekening te houden met demografische trends zoals vergrijzing. Door rekening te houden met de belanghebbenden ontstaat sociaal draagvlak en bewustwording voor de ontwikkeling, wat de haalbaarheid vergroot. Het actief inzetten van lokale expertise helpt om lokale behoeftes te identificeren.

    1. Sociaal welzijn

      • Het project draagt bij aan het sociaal welzijn van zijn gebruikers, omwonenden en andere betrokken partijen en individuen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het vermijden van sociale barrièrewerking.

    2. Demografische samenstelling

      • De gezondheid en kansen van verschillende kwetsbare demografische groepen wordt beschermd en bevorderd, zoals ouderen, kinderen en mensen met een lage sociaal-economische status.

      • Er worden oplossingen geboden voor de gevolgen van demografische ontwikkelingen (zoals vergrijzing of krimp). Denk hierbij bijvoorbeeld aan flexibiliteit en aanpasbaarheid van het programma.

    3. Sociaal draagvlak

      • Er is sociaal draagvlak voor het project onder toekomstige gebruikers, omwonenden en andere betrokken partijen en individuen.

    4. Lokale expertise

      • Lokale expertise en specifieke kennis wordt verzameld en toegepast, om relevante behoeftes van de gemeenschap te identificeren en het risico op conflicten te verkleinen.

  9. Bereikbaarheid

    Door de bereikbaarheid van gebieden goed te houden en gebruikswaarde van infrastructuursystemen te vergroten, kan de toekomstwaarde van een gebied worden vergroot. Bereikbaarheid heeft ook een sterke relatie met thema’s als energie, ruimtegebruik, welzijn en economie. Voor een duurzaam bereikbaar gebied is het belangrijk dat een robuust verkeerssysteem wordt ontwikkeld van verschillende vervoersmodaliteiten met knooppunten daartussen. Een efficiënt gebruik van bestaand en nieuwe infrastructuur kan helpen dit te bereiken en te besparen in ruimte, brandstof en tijd. Door een adaptief mobiliteitsbeleid en -netwerk kunnen we blijven inspringen op gewenste en ongewenste ontwikkelingen.

    1. Robuust mobiliteitssysteem

      • Er is inzicht in de raakvlakken van het infrastructuurnetwerk met andere netwerken en deze worden versterkt, bijvoorbeeld door het vergroten van overstap- en overslagmogelijkheden.

        Meer info: Visie op Knooppunten en Kiezen en Delen

      • De betrouwbaarheid van de reismogelijkheden en de voorspelbaarheid van de reistijd wordt vergroot. Denk hierbij aan de reis van deur tot deur; zowel voor goederen als personen.

        Meer info: SVIR, 2.2 Bereikbaarheidsindicatoren.

    2. Efficiënt gebruik infrastructuur

      • Mogelijkheden om de bestaande fysieke en digitale infrastructuur zo efficiënt mogelijk te gebruiken worden benut, voorafgaand aan de uitbreiding van het netwerk. Denk hierbij aan knooppunt ontwikkeling, mobiliteitsmanagement en benutting. Meer info: Ladder Duurzame Verstedelijking, Ladder van Verdaas en Beter Benutten

    3. Bereikbaarheid functies

      • De bereikbaarheid en connectiviteit van de belangrijkste functies en voorzieningen wordt behouden of vergroot.

    4. Adaptief mobiliteitsbeleid

      • Het project sluit ontwikkelingen in de toekomst niet uit en stelt de gebruiker centraal. Een flexibel infrastructuurnetwerk is het uitgangspunt. Denk hierbij aan ontwikkelingen en innovaties zoals de zelfrijdende auto, zie ook Beter Benutten ITS.

  10. Investeringen

    Een duurzame financiering van een opgave is nodig om ontwikkelingen op de korte maar ook op de lange termijn mogelijk te maken. Door na te denken hoe het project voordeel kan bieden voor mogelijke betrokken partijen, kunnen ook de kosten evenredig worden verdeeld of meekoppelkansen worden benut. Door in te zetten op de bestaande kwaliteiten van het gebied is de haalbaarheid hiervan het grootste. Financiële baten komen direct of indirect ten gunste van het project en zijn gebruikers.

    1. Evenredige kosten en baten

      • Kansen om projectkosten en baten te delen met andere betrokken partijen worden benut (Meerwaardescan, 2011).

    2. Gebiedskwaliteiten

      • Aanwezige kwaliteiten van het gebied worden ingezet ter realisatie van financiële baten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ruimtelijke kwaliteit of vestigingsklimaat.

    3. Waardecreatie

      • Waardestijging (bijvoorbeeld van grond of vastgoed) wordt direct of indirect besteed ten gunste van het project, zijn gebruikers en/of andere betrokkenen. Meekoppelkansen worden benut.

    4. Life Cycle Costing

      • De kosten gedurende de gehele levenscyclus worden in de overweging genomen. Hiertoe worden o.a. de investeringskosten, beheer- en onderhoudskosten en 'sloopkosten' gerekend.

    5. Benodigd budget

      • Er is voldoende budget om de opgave zo uit te werken dat de overige gebiedsbelangen niet geschaad worden.

  11. Vestigingsklimaat voor de bedrijvigheid

    Om een economisch vitale en duurzame omgeving te ontwikkelen is het belangrijk een economisch beleid te formuleren dat aansluit bij de sterke en zwakke punten van de regio. Het is hierbij belangrijk het innovatie en –aanpassingsvermogen van de gebiedseconomie te vergroten, zodat kan worden ingesprongen op onvoorziene situaties. Een aantrekkelijk vestigingsklimaat is een belangrijk onderdeel van dit beleid.

    1. Vestigingsklimaat

      • De bereikbaarheid, aantrekkelijkheid en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt vergroot voor zowel bestaande als mogelijke nieuwe bedrijven. Denk hierbij aan goede fietsverbindingen en andere aansluitingen.

      • De aansluiting van de beroepsbevolking qua grootte, scholing en ervaring op de regionale arbeidsmarkt wordt verbeterd. Denk hierbij aan de aantrekkende werking voor de vestiging van nieuwe bedrijven door het geschikt maken van de locatie.

    2. Economisch beleid

      • Er wordt invulling gegeven aan het economisch beleid op het voor het project relevante schaalniveau (nationaal, regionaal, lokaal). Denk hierbij aan het wel of niet plaatsen van afslagen vanuit de snelweg bij ieder bedrijventerrein. 

    3. Innovatie- en aanpassingsvermogen

      • Er wordt bijgedragen aan het gewenste innovatie- en aanpassingsvermogen van de gebiedseconomie op lange termijn.

  12. Vestigingsklimaat voor de bevolking

    De economische vitaliteit van de bevolking vormt samen met die van de bedrijvigheid een essentieel onderdeel van een duurzame economie. Het is in dit kader belangrijk dat de werkgelegenheid aansluit bij de beroepsbevolking en hiervoor bereikbaar is. Aan de andere kant dient de beroepsbevolking zich te blijven ontwikkelen om aan te kunnen sluiten op de werkgelegenheid. Tot slot dient het lokale en regionale voorzieningenaanbod toereikend te zijn voor de wensen van de bevolking voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dit thema kan ook erg relevant zijn voor de gebiedsagenda.

    1. Werkgelegenheid

      • Er wordt een positieve bijdrage geleverd aan de werkgelegenheid op lange termijn, die past bij de ontwikkeling en vaardigheden van de regionale beroepsbevolking.

    2. Bereikbaarheid arbeidsmarkt

      • De bereikbaarheid (multimodaal en ketens) en transparantie van de arbeidsmarkt en hierbij benodigde voorzieningen worden vergroot. Denk hierbij bijvoorbeeld aan informatievoorziening over de arbeidsmarkt, reistijd en -kosten.

    3. Ontwikkeling beroepsbevolking

      • Er wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van de beroepsbevolking voor de lokale en regionale arbeidsmarkt. Denk hierbij aan het realiseren en verbeteren scholing en toegankelijker maken van kennis en ervaring.

    4. Voorzieningenaanbod

      • Er wordt bijgedragen aan verbetering van het voorzieningenaanbod voor de bevolking. Denk hierbij bijvoorbeeld aan diversiteit, kwaliteit, bereikbaarheid en kosten van voorzieningen.